Een beetje meer bewegen voorkomt tweede
hartinfarct.
Wie na een hartinfarct iets meer
beweegt, zal risicogedrag en daarmee het risico op
een tweede hartinfarct aanmerkelijk verkleinen. Een
dagelijkse wandeling of fietsrit zorgt ervoor dat de
patiënt eerder geneigd is te stoppen met roken,
blijft bewegen en op zijn gewicht gaat letten.
Karaktereigenschappen spelen bij de aanzet tot een
gezondere levensstijl een ondergeschikte rol. Dat
concludeert Irma Huijbrechts in haar proefschrift
Houd je hart in beweging. Zij promoveert
woensdag 26 november 2003 aan de Erasmus
Universiteit Rotterdam. Haar advies: stem het
revalidatieprogramma af op de patiënt en zorg
daarbij primair voor een verhoging van de
lichamelijke activiteit.
‘Maandag stop ik met roken, vanaf
morgen ga ik gezonder eten.’ Het merendeel van de
hartpatiënten heeft na een eerste hartincident goede
voornemens om risicogedrag te veranderen. De angst
zit erin en het verstand spreekt. Waarom lukt het
toch slechts weinigen om daadwerkelijk een gezondere
levensstijl aan te nemen? Huijbrechts interviewde
patiënten vlak na een eerste hartinfarct en zo’n
vijf maanden later. Haar onderzoek richtte zich op
risicofactoren als roken, lichamelijke activiteiten
en lichaamsgewicht. Daarnaast bekeek zij
psychologisch factoren zoals gevoelens van angst,
depressie, vitale uitputting en kracht.
Psychologische factoren blijken wel
degelijk een rol te spelen bij gedragsverandering.
Zo hebben patiënten die vlak na het hartinfarct
angstig en depressief zijn een grotere kans om vijf
maanden later nog steeds te roken. Sterke gevoelens
van vitale uitputting vlak na het hartinfarct
voorspellen een toename van het lichaamsgewicht. De
mate van fysieke activiteit blijkt echter een
grotere invloed te hebben op het risicogedrag dan de
psychologische factoren. Patiënten die gematigde
lichamelijke activiteit ondernemen na het
hartinfarct, zoals wandelen of fietsen, hebben een
grotere kans van slagen om ook te stoppen met roken
en om af te vallen. De psychische gesteldheid van de
patiënt speelt daarbij mee op de achtergrond.
Lichamelijk actievere hartpatiënten zullen
bijvoorbeeld minder depressieve gevoelens hebben dan
hun minder actieve lotgenoten.
Kortom: bij de revalidatie van een
hartpatiënt speelt lichamelijke activiteit een
hoofdrol; psychologische factoren hebben echter een
niet te onderschatten bijrol. Aanbevolen wordt dan
ook een hartrevalidatieprogramma op maat aan te
bieden aan de patiënt waarbij rekening wordt
gehouden met de psychologische kenmerken van de
patiënt en in ieder geval begonnen wordt met het
verhogen van de gematigde lichamelijke activiteit.
Promotor: prof.dr. J. Passchier,
Medische psychologie